Onrechtmatige bedingen in B2B-contracten: hoe kunnen deze vermeden worden?
Sinds de invoering van het verbod op onrechtmatige bedingen in Business to business‑relaties is het contractenlandschap grondig veranderd. Wat ooit een domein was waar “professionals onder elkaar” min of meer vrij spel hadden, is vandaag een juridisch mijnenveld waarin zelfs ervaren ondernemingen worstelen met de vraag: wat mag nog, en wat niet?
Deze kwestie raakt de kern van contracteren in commerciële samenwerkingen, van distributie tot SaaS‑licenties, van consultancy tot M&A‑transacties.
2. Een wet die duidelijk lijkt, maar dat niet helemaal is
a) Zwarte en grijze clausules
De wetgever somt enerzijds een lijst van zwarte (altijd verboden) en grijze (mogelijk verboden) clausules op.
Volgende clausules zijn volstrekt onrechtmatig: bedingen die ertoe strekken:
“1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
2° de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
3° in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
4° op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.”
Het lijstje van de zogenaamde grijze clausules is evenwel heel wat langer.
Enkele voorbeelden: worden behoudens bewijs van het tegendeel vermoed onrechtmatig te zijn de bedingen die ertoe strekken:
1° de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
2° een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
Enzoverder.
b) Verbod van kennelijk onredelijke clausules
De wet voorziet anderzijds ook in een “catch-all” bepaling en stelt:
“Voor de toepassing van deze titel is elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig. (…)”
De wet verbiedt dus in het algemeen bedingen die een “kennelijk onevenwicht” creëren tussen de rechten en plichten van partijen. Dat klinkt ergens logisch, maar in de praktijk is het begrip kennelijk onevenwicht bijzonder vaag.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit zogenaamde kennelijke onevenwicht vaak wordt ingeroepen bij discussies tussen partijen.
2. Rechtspraak die groeit, maar niet steeds vaste lijnen trekt
Het probleem? De beoordeling gebeurt casuïstisch: elke clausule moet worden bekeken in haar context, in combinatie met andere bepalingen, en in functie van de economische realiteit tussen partijen.
De Belgische rechtspraak is de voorbije jaren sterk toegenomen, maar ze blijft versnipperd. Een clausule die in het ene vonnis wordt afgekeurd, wordt elders aanvaard omdat de commerciële context anders is.
Zo is er een bekend voorbeeld van de schrapping van de geformuleerde annulatievergoeding van een manager. Men had in het contract een annulatievergoeding die gelijkliep met de vergoeding voor het resterende gedeelte van de voorziene termijn opgenomen. Dit vond de Leuvense rechter in 2023 kennelijk onredelijk:
“Eiseres daarentegen zou steeds moeten betalen alsof alle prestaties volledig werden uitgevoerd, ook als in werkelijkheid slechts een deel van de prestaties werden uitgevoerd. Het gewraakte opzegbeding heeft tot gevolg dat verweerster als dienstverlener er belang bij had dat de overeenkomst vroegtijdig werd beëindigd.” “Waarom zou een hogere winst voor verweerster bij vroegtijdige beëindiging gerechtvaardigd zijn? Desbetreffende motivering ontbreekt in de voorliggende overeenkomst.”
In januari 2025 oordeelde de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel dan weer dat een opzegvergoeding van 50 procent van de geraamde besparingen géén kennelijk onevenwicht schept, en dus geldig blijft. Er werd tijdens de analyse vergeleken met wat overeenkomstig het gemene recht had kunnen gevorderd worden en de bedongen vergoeding leek hiermee in lijn te zijn.
3. Waarom dit voor bedrijven zo’n groot risico vormt
De wet stelt zelf:
“Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven voortbestaan.”
Een onrechtmatig beding wordt dus als het ware geschrapt uit de overeenkomst. Dit kan zeer negatieve financiële en operationele gevolgen hebben.
Ook in een B2B‑context kan de Economische Inspectie trouwens tussenkomen wanneer contractuele afspraken, commerciële praktijken of prijsstructuren mogelijk strijdig zijn met de wetgeving rond marktpraktijken en eerlijke concurrentie. Inspecteurs kunnen nagaan of bepalingen zoals eenzijdige prijswijzigingen, disproportionele schadevergoedingen, onredelijke beëindigingsvoorwaarden of exclusieve interpretatierechten strijdig zijn met de zwarte of grijze lijst van verboden bedingen.
4. Hoe hiermee omgaan? Praktische aanbevelingen
Contracttemplates dienen vooreerst gescreend te worden op de voormelde zwarte en grijze clausules.
Deze herwerkte contracttemplates zijn daarna alsnog niet heiligmakend: ze dienen goed afgestemd te worden op de concrete aard van het bedrijf, de commerciële context én de tegenpartij waarmee zaken wordt gedaan. Het uitdrukkelijk gaan documenteren van die commerciële context kan helpen bij het aantonen van het evenwicht.
We voorzien ook meer in trapsgewijze formuleringen en extra zinnen om aan te tonen waarom partijen deze specifieke clausule expliciet als redelijk hebben aangemerkt tijdens de onderhandelingen. Zo wordt het voor je contractspartner in het algemeen veel moeilijker om tijdens discussies op te werpen dat hij of zij desbetreffende clausule eigenlijk nooit “eerlijk” vond en dit gaat escaleren.
Conclusie
Het verbod op onrechtmatige bedingen heeft de B2B‑contractpraktijk toch wel veranderd. De bedoeling van de wetgever – bescherming tegen misbruik – is ergens nobel, maar de uitwerking creëert een rechtsonzekerheid die ondernemingen dwingt tot regelmatige herziening en verregaandere uitwerking van contracten.
Er bestaat ook een uitgebreid kader rond onrechtmatige bedingen in consumentencontracten, waarbij de wetgever nog strenger optreedt tegen clausules die de consument op een onevenwichtige of misleidende manier benadelen.
Dit is voer voor een volgend artikel!